zaterdag 31 december 2011

Dag 24: De biezenstekker


In de ochtend gaan we met een bootje de drijvende Uros-eilanden verkennen. Deze typische eilanden zijn gemaakt van biezen, die drijven op het water. Ook de huisjes die erop staan, zijn gemaakt van biezen. Ze doen hier alles met biezen: je kunt ermee koken, erop kauwen, je kunt het opstoken. Die dingen zijn overal goed voor, behalve wintertenen. Denk ik.
Er wonen ongeveer 2000 mensen op deze eilanden; het exacte aantal eilandjes blijft een beetje een mysterie: elke keer als er een telling plaatsvindt, en er ontstaat onenigheid, pakken de mensen gewoon een zaag, en beginnen ze hun eigen eilandje. We worden bijzonder vriendelijk ontvangen door de lokale bevolking, en mogen gerust een kijkje nemen in hun huisjes. Er is, uiteraard, ook een markt aanwezig, waar we geacht worden iets te kopen. Erg leuk allemaal, maar ook erg op het toerisme gericht. Maar goed, de mensen leven hier ook niet van de hemelse dauw...
Rond de middag stappen we in onze auto’s, op weg naar Cuzco. Deze rit telt volgens ons routeboek 340 kilometers. Het lijkt er echter op dat het 430 kilometers zijn. De rit verloopt verder echter voorspoedig, hoewel de gemiddelde snelheid nogal laag ligt. Dit is grotendeels te wijten aan de vele verkeersdrempels in de dorpen die we passeren: deze zijn slechts stapvoets te nemen. Rond half zeven bereiken we ons pittoreske hotel, waar we morgenavond tevens de jaarwisseling zullen vieren.






Dag 23: I'm on a boat


Vandaag zou een makkelijk dagje moeten worden. Jammer dat we geen tijd hebben om La Paz een beetje te verkennen, alhoewel: het stinkt hier behoorlijk naar uitlaatgassen en, zoals we eerder beschreven, het verkeer is een totale chaos. Maar ook onze auto’s dragen natuurlijk hun steentje bij aan de vervuiling hier...
We vertrekken rond half 10, maar het blijkt nog heel wat voeten in de aarde te hebben om La Paz uit te komen. Het verloopt aanvankelijk voorspoedig, maar in het voorstadje El Alto staan we al vast: we komen op een weg terecht van tweemaal drie rijstroken die compleet vol staat met taxibusjes, vrachtwagens en personenwagens. Op een gegeven moment zien we onze Belgische vrienden (equipe 30) met hun 1800 naast de kant van de weg staan: de wagen loopt niet meer. Het plan is om de benzine die nog in de tank zit aan te vullen met benzine met een lager octaangehalte. Maar dat valt nog niet mee; we slepen het Belgische team naar een tankstation in de buurt, maar daar wil men geen benzine verkopen aan buitenlanders. Alleen Boliviaanse kentekens zijn hier welkom. Inmiddels is de auto van Jan (equipe 34) afgeslagen, en wil niet meer starten. Ook de auto van Job (equipe 18) houdt het voor gezien. Ondertussen zitten we allemaal zonder benzine. We worden doorverwezen naar een volgend tankstation, maar ook hier wordt ons enkel een ‘nee’ verkocht. Bij het derde tankstation kunnen we gelukkig wel terecht, al betalen we daar (als buitenlander) een dubbele prijs. Ook ons kenteken en paspoortnummer wordt geregistreerd. Later legt onze gids ons uit dat de Boliviaanse benzine vrij fors gesubsidieerd is, en dat er daardoor veel benzine naar bijvoorbeeld Peru gesmokkeld wordt. Om ervoor te zorgen dat het allemaal niet uit de klauwen loopt, hebben slechts enkele tankstations de bevoegdheid om aan buitenlanders benzine te verkopen. Maar goed, we kunnen weer rustig verder.
De landschappen zijn wederom prachtig, maar Bolivia blijft (na Argentinie en Chili meegemaakt te hebben) een toonbeeld van armoede. Onze rit voert ons naar grote hoogtes: we rijden steeds tussen de 3800 en 4000 meter. Halverwege moeten we met een veer het Titicaca-meer oversteken (het hoogst gelegen meer ter wereld, op zo’n 3800 meter). De oversteek is een ervaring op zich: met houten bootjes worden we, met twee auto’s tegelijk, naar de overkant gebracht. Met grote stokken wordt de boot van wal geduwd. Vervolgens wordt een buitenboordmotortje gestart.
De formaliteiten aan de Peruaanse grens verlopen buitengewoon voorspoedig, en rond half 8 ’s avonds komen we aan bij ons hotel in Puno (Peru). Het hotel ligt pal aan het Titicaca-meer, en we bevinden ons nog steeds op 3800 meter hoogte. En dat merk je als je de trap op loopt...





donderdag 29 december 2011

Dag 22: Fear and Loathing in La Paz

Vandaag een redelijke afstand: 550 km, van Arica naar La Paz (Bolivia). We zullen de grens naar Bolivia moeten oversteken op een hoogte van bijna 4700 km. We zijn inmiddels uitgebreid geinformeerd over de gevaren en symptomen van hoogteziekte. Als groepje van acht (equipes 18, 34, 49 en 60) besluiten we, voor de zekerheid, nog een flesje zuurstof te kopen en mee te nemen.
We zijn vroeg uit de veren: ontbijt om 6 uur, vertrek om 7. Er blijken onderweg nogal wat wegwerkzaamheden plaats te vinden, waardoor er beurtelings de ene en dan weer de andere richting wordt afgesloten. Vertrekken we met z’n allen tussen 7 en half 8, dan kan de reisorganisatie ervoor zorgen dat we direct kunnen doorrijden.
Wanneer we vertrekken vanuit Arica (op zeeniveau) zien we wat kleinschalige landbouw. Als we eenmaal aan de klim zijn begonnen, zien we eerst links dorre bergen – daarna wordt alles dor. De wagens houden het goed vol; al voel je, naarmate je hoger komt, toch dat de trekkracht behoorlijk terugloopt. Eenmaal bij de wegwerkzaamheden aangekomen, moeten we over een onverharde weg; daar is soms maar nauwelijks door te komen, en we horen regelmatig geschuur aan de onderkant van de wagen. Er zijn ook veel vrachtauto’s onderweg, die vaak kruipend de berg op gaan (en op een enkelbaansweg niet zijn in te halen). Dan valt op een plots de Duett van Jaap en Marga (equipe 55) stil; Ton besluit te stoppen en de auto op sleeptouw te nemen tot er wat meer ruimte is om op zoek te gaan naar de oorzaak van het euvel. Wanneer Jaap de luchtfilter verwijdert zegt hij op een gegeven moment: ‘Zou ik nog wel benzine hebben?’ Even de auto starten en kijken in het filtertje, en inderdaad: geen benzine. De Duetts hebben een kleine benzinetank en hebben daarom altijd een reservekannetje bij zich. Benzine erin en de auto loopt weer. ‘Dat zou dus betekenen dat ik 1 op 5 heb gereden, in plaats van de gebruikelijke 1 op 10’, verzucht Jaap. In combinatie met niet goed functionerende benzinemeters van oude auto’s kom je dan dit soort verschijnselen tegen. Inmiddels blijkt ook Arend (equipe 60) de grootste moeite te hebben om de auto te starten. We zitten nu al boven de 4000 meter en dat merken we. Het landschap is overigens prachtig varierend; er ligt hier en daar nog best wat sneeuw, en kleine bergriviertjes zijn er in overvloed. De boomgrens zijn we inmiddels gepasseerd: hier groeit alleen nog mos. Over de schoonheid van de omgeving raken we niet snel uitgepraat; ongelooflijk dat er op deze hoogte nog mensen wonen en een bestaan hebben. In een van de vele meertjes weet Maarten nog een paar flamingo’s te spotten.



Op het hoogste punt van de route passeren we de Boliviaanse grens, die op ongeveer 4500 m hoogte ligt. De administratieve rompslomp verloopt uiterst vlot, en we komen al snel een tankmogelijkheid tegen. Een aantal van ons besluit toch nog even een pufje te nemen van de zuurstoffles. Met ons (Ton en Maarten) gaat het goed; we voelen een lichte tinteling in onze benen, maar als ze ons niet verteld hadden dat dit een van de symptomen van hoogteziekte is... Niks aan het handje.



Iets eetbaars is hier maar moeilijk te krijgen. We besluiten daarom door te rijden, en we komen midden in een hagelbui met onweer terecht. De weg daalt naar ongeveer 4000 meter, maar komt nergens onder de 3800 meter.
Bolivia is een zeer armoedig land; als je het vergelijkt met Chili, lijkt het alsof je in een tijdmachine bent gestapt. Mensen wonen hier in hutjes van ongeveer 4 bij 5 meter, soms half in een berg gebouwd. De plaatselijke bevolking heeft qua uiterlijk veel weg van een oude Indianenstam. De wegen zijn slecht, met kuilen, gaten en diepe sporen.
Op ongeveer 20 km voor La Paz (onze eindbestemming) worden we opgevangen; we zullen vanaf dit punt onder politie-escorte naar La Paz gaan. Het zit namelijk zo: Bolivia kent geen verkeersregels. Voorrang? Nooit van gehoord; hier geldt het recht van de sterkste (of de brutaalste). Stoplichten? Gewoon negeren. Maximumsnelheid? Doen we niet aan. Regels omtrent stoppen en parkeren misschien? Geen denken aan. Toch besluiten we af te zien van de escorte; het rijden in grotere groepen door een drukke stad levert doorgaans alleen maar ongemak, zo leert de ervaring ons. Wij besluiten het voortouw te nemen met onze Garmin (navigatiesysteem). Job (equipe 18), die ook een navigator aan boord heeft, rijdt achteraan. Het gaat op zich prima, maar wat een aparte ervaring is zo’n grote stad: voetgangers steken in grote groepen over, terwijl er een agent naar ons staat te zwaaien dat we door moeten rijden. Wanneer het dan toch groen wordt, missen we op een haar na twee motoragenten die het ook niet zo nauw namen met de verkeerslichten.
Wanneer we bijna bij ons hotel in La Paz aankomen, blijkt er een verschil te zijn tussen het routeboek en onze Garmin; we besluiten het routeboek te volgen, maar deze stuurt ons allerlei eenrichtingswegen in. Dan maar de Garmin. Maar die stuurt ons over wegen die niet bestaan, of alleen voor voetgangers begaanbaar zijn. De weggetjes waar we door rijden bestaan waarschijnlijk uit drie rijbanen, maar daar maken ze er hier met gemak vijf van. Op een gegeven moment zijn we iedereen kwijt. Het is ook onmogelijk om op deze hoogte 3500 meter), waar de auto’s al bijna geen koppel hebben, bij lage toeren een stijle helling te nemen. Dan zien we de auto van Job (equipe 18) staan, midden op een van de (ongetwijfeld) drukste rotondes van de stad. De auto was echter leeg. We kunnen op dit punt onmogelijk stoppen, en besluiten daarom door te rijden naar het hotel (om van daaruit poolshoogte te kunnen nemen). Jan en Riki, die vlak voor de rotonde nog achter ons reden, zijn ook verdwenen in de drukte van deze stad. Als we het hotel eindelijk (met wat geluk) hebben gevonden, en onze auto kwijt kunnen, komt Catelijne ons te voet en buiten adem (dat heeft iets met de hoogte te maken) tegemoet. Wat blijkt: zowel de auto van Jan (equipe 34) als die van Job (equipe 18) loopt niet meer. Maarten pakt de koffers en gaat inchecken, terwijl Ton met een parkeerwacht meerijdt richting Job’s gestrande auto. Eenmaal aangekomen blijkt ook Jan daar aanwezig te zijn, en krijgen ze de auto aan de praat. Ook in het geval van Job blijkt weer: benzinemeter doet het niet goed meer, en het verbruik was onverwacht hoog. Gevolg: een lege tank. De auto van Jan staat vlakbij; Ton sleept deze terug naar het hotel. Er was al eerder geconstateerd dat Jan’s Amazone op een cilinder minder reed, dus we vrezen het ergste. Nog een probleempje: de auto’s mogen niet bij het hotel blijven staan, maar moeten naar een nabijgelegen parkeergarage. Een aantal mensen (die vermoedelijk de weg weten) leiden ons er naartoe; en extra parkeerwacht stapt in bij Ton. Het is onmogelijk om door dit hectische verkeer te komen: tussen al het stilstaan door kun je af en toe een paar meter rijden. We komen aan bij een kruising; Ton vraagt aan de gids hoe dat nu moet, qua voorrang en alles. De mensen achter ons raken ons zo immers kwijt. De parkeerwacht besluit dan uit te stappen, en in de laatste auto te gaan zitten (bij Arend). Ton raakt echter ook zijn voorgangers kwijt; als we dan later in een straatje terechtkomen waar we steeds maar een autolengte kunnen opschuiven, beginnen we de koppeling al aardig te ruiken. Ook de routebeschrijving van het hotel naar de parkeergarage, die Ton gelukkig bij zich heeft, slaat als een tang op een varken. Genoeg is genoeg: de koppeling stinkt, de maag is leeg en het wordt al later. Ton besluit af te slaan, terug naar het hotel, waar hij de parkeerwacht nog duidelijk maakt dat de auto hier blijft staan.
Na het eten (het is inmiddels al 11 uur geweest) besluiten we toch nog even naar Jan’s auto te kijken; wellicht is het mankement simpelweg een kapotte bougie. Dit vermoeden klopt; de opluchting is groot. We besluiten morgenvroeg om 8 uur te gaan ontbijten, en dan pas te bespreken wat te doen. Nog een paar kleine reparaties in de ochtend, en dan maar eens kijken hoe we La Paz uitkomen. Wanneer we ’s avonds nog even voor het hotel staan, wordt een van de deelnemende auto’s met een lokale sleepdienst aangevoerd. Het eerste technische team komt nu pas binnen; zowel de reisleiding als een aantal deelnemers zijn nog steeds niet aangekomen.
Over deze dag alleen zouden we al pagina’s kunnen vol schrijven; het was een dag om nooit te vergeten. Maar vooral: wat prachtig allemaal. Wat een tegenstellingen, wat een ervaring!


La Paz: Leuk, tot je er middenin zit...

woensdag 28 december 2011

Dag 21: Pieken en dalen


We verlaten het dorp San Pedro de Atacama, en moeten opnieuw de piek van 3400 meter over. Het maanlandschap blijft lang aanhouden, maar de wegen zijn goed en de rit verloopt vlot. We rijden lang over een hoogvlakte van meer dan 2000 meter hoog. De uitgestrektheid van dit gebied is opnieuw indrukwekkend. Je kunt je er geen voorstelling van maken, en foto’s kunnen het maar moeilijk vastleggen.



Tijdens een stop bij een tankstation blijkt onze rechter achterband opnieuw lek; het reservewiel moet dus opnieuw tevoorschijn komen...
Even voor Pozo Almonte, een klein dorpje op de route, verschijnt er eindelijk wat groen in het landschap. Het is goed te merken dat we richting de evenaar rijden: in de middag gaan de temperaturen richting de 40 graden, en de zon staat de hele tijd recht op je kop.
Het laatste deel van de rit gaat opnieuw over bergachtig terrein; het groen is nergens meer te bekennen. De weg voert, al klimmend en dalend, langs zeer diepe kloven; die zijn nauwelijks vast te leggen, die moet je gezien hebben. Op ongeveer 50 km voor Arica (onze eindbestemming voor vandaag) verschijnt er toch weer even wat kleur in het grauwe landschap. In de slotfase van de rit dalen we af naar zeeniveau; ons hotel ligt (opnieuw) prachtig aan het strand...

Dag 20: Maandag, sleuteldag


Ton begint in alle vroegte met het slot van de deur. Bij het verwijderen van de deurbekleding blijkt al snel dat het slot is losgerammeld; vastzetten en goed smeren blijkt het euvel echter te verhelpen. Het vastzetten van de hemelbekleding kost wat meer tijd, maar lukt uiteindelijk ook. Daarna rest alleen nog het vervangen van de reserveband en het controleren van het koppelstukje van de aandrijfas. Vooral dat laatste blijkt geen sinecure: de hele tankbescherming moet hiervoor verwijderd worden. Die blijkt zijn sporen wel verdiend te hebben: de tankbescherming is flink geraakt, evenals de hele onderzijde van de Amazone. De meeste mankementen zijn dan ook terug te voeren op de gravelwegen, die toch hun tol eisen bij de auto’s. Op het parkeerterrein van het hotel wordt de hele dag volop gesleuteld.
Maarten gaat, samen met Henry en Arend (equipe 60), ’s middags nog even het dorp in, en gaat later nog foto’s maken van het omringende maanlandschap. Ton drinkt nog even een fles van 1,6 liter water leeg, en besluit het wat rustiger aan te doen...


Henry Borsato - De meeste dromen zijn bedrog

Een heerlijke avondmaaltijd vinden we in een zeer primitief ogend restaurant. Verrukkelijk wat ze hier weten klaar te maken...

Dag 19: Doe die deur eens dicht!


Bij het vertrek vanuit de plaggenhutten in Caldera wacht ons een onaangename verrassing: de linker deur van onze Amazone houdt niet meer in het slot. Zoals wel vaker lossen we het mankement provisorisch op: met een paar elastieken maken we de deur vast aan de hoofdsteun van de stoel. Het rijdt niet echt plezierig: in een lange bocht naar rechts gaat de door nog altijd een beetje open. De linker deur van onze auto houdt niet meer in het slot. Met een paar elastieken maken we deur vast aan de hoofdsteun van de stoel. Het rijdt niet echt plezierig, want in een lange bocht naar rechts gaat de deur een beetje open. En dan moeten we nog 750 km, over bochtige wegen en over een hoogte van ruim 3400 meter. Onderweg begint dan ook nog de hemelbekleding van onze auto naar beneden te komen... Maar wat een indrukwekkende omgeving! Dor, droog en geen sprietje groenigheid. Een echt maanlandschap.
Wanneer we San Pedro de Atacama naderen wordt het landschap steeds ruiger: werkelijk prachtig. Het dorpje ligt om ongeveer 2500 meter hoogte, en heeft karakteristieke, smalle straatjes. Ons onderkomen in San Pedro is prachtig: het bestaat uit een centraal gebouw met zwembad, en diverse bijgebouwen (met daarin de kamers). Onze kerstmaaltijd ’s avonds (het is vandaag eerste kerstdag) smaakt ook bijzonder goed.
Gelukkig hebben we morgen een rustdag, zodat we onze auto’s weer in orde kunnen maken. Volgens Kees Boonman (equipe 35) zou het probleem met de deurvergrendeling wel eens mee kunnen vallen; waarschijnlijk is het een kwestie van afstellen. Wel mooi hoe dat dan in zo’n groep werkt: je krijgt talloze adviezen, waarvan de meeste maar weinig zinvol blijken...

Maarten, temidden van het prachtig ruige maandlandschap.


Dag 18: Wat ruik ik toch, joh?


Vandaag staat er een afstand van ruim 900 km op de planning. Wat onderweg vooral opvalt is dat naarmate we richting het noorden rijden de omgeving al snel dor wordt. In de buurt van het plaatsje Antofagasta, halverwege de rit, zien we vooral veel mijnbouw. Er is hier zelfs een heel netwerk voor smalspoortreinen aangelegd. We passeren onder meer een cementfabriek en een koperfabriek, maar zien ook treinen met koperen platen rijden.
Antofagasta is een vrij grote havenplaats; we stoppen er even om te lunchen. Het is bijna kerstmis, maar we bevinden ons bij 30 graden aan het strand (er ligt hier zelfs een McDonald’s). In een strandtentje doen we ons tegoed aan een heerlijk buffet, met vlees van de grill. Met het malse vlees nog tussen de tanden willen we wegrijden, maar dan volgt een kleine domper: onze auto heeft een lekke band. Dan maar het reservewiel erop, en rijden maar. Het is kerstavond, en we komen rond 7 uur aan in het kleine plaatsje Caldera. Het blijkt een klein havenplaatsje, dat duidelijk niet is berekend op zulke grote groepen mensen; het eten is koud, maar wel erg lekker...
Team 83 (de filmploeg) neemt het initiatief om mensen een kerstgroet te laten inspreken – iets waar wij natuurlijk dankbaar gebruik van maken. We zijn ondergebracht in een dorpje verderop. Niet in een hotel overigens, maar meer in een soort primitieve vakantiehutjes. Arend en Henry (equipe 60) zitten in het voorste huisje, en hebben een constant ratelende pomp onder hun veranda. Wanneer Arend besluit de pomp uit te zetten (om ‘eindelijk eens van die teringherrie af te zijn’), komt er een enorme putlucht in de huisjes naar boven. Arend zet de pomp snel weer aan; het zwembad naast het huisje begint alweer te borrelen... ’s Nachts stikt het er overigens van de muggen; wat een contrast met het Royal Crowne Plaza in Santiago...

Het strand van Antofagasta. Niet op de foto: de McDonald's.
Midden in de woestijn rijst een hand uit de grond... Van God misschien?
Caldera, een klein havenplaatsje